Home » Beleggen in goud, Monetaire geschiedenis

Ontwikkeling goudvoorraden centrale banken sinds 1845

Geschreven door op 26 oktober 2018 – 15:57

Het grootste gedeelte van al het goud dat boven de grond aanwezig is werd pas na 1850 gedolven, toen er in de Verenigde Staten en Australië grote ontdekkingen werden gedaan. Later kwamen er betere mijnbouwtechnieken, waardoor er veel meer goud op de markt kwam. Waar ging al dat nieuwe goud heen? En waarom verdwenen gouden munten uit het betalingsverkeer? In dit artikel bespreken we de goudvoorraden van centrale banken vanuit een historisch perspectief.

Stijging goudproductie (rond 1850)

Goud kent een lange geschiedenis als waardevol metaal, maar het edelmetaal was tot halverwege de negentiende eeuw ook bijzonder schaars. Pas toen er rond 1850 grote ontdekkingen werden gedaan in de Verenigde Staten en Australië begon het wereldwijde aanbod van goud significant toe te nemen. Zo werd er tussen 1850 en 1900 wereldwijd bijna 10.400 metrische ton geproduceerd door de mijnen, ongeveer twee keer zoveel als al het goud dat tot en met 1850 is gedolven.

Door de sterke toename van de bovengrondse hoeveelheid goud konden overheden meer gouden munten in omloop te brengen, wat een sterke impuls gaf aan de industriële ontwikkeling en de wereldhandel. Miljoenen mensen gebruikten de gouden munten om transacties te doen en te investeren, omdat de muntstukken universeel geaccepteerd werden als betaalmiddel. Ook konden landen door het overvloedige aanbod van goud hun nationale goudvoorraden uitbreiden en een goudstandaard opzetten.

Gedurende deze fase in de geschiedenis werden goud en zilver in veel landen nog naast elkaar gebruikt als geld. In sommige landen was goud het voornaamste betaalmiddel (zoals het Verenigd Koninkrijk), terwijl in andere landen voornamelijk zilveren munten gebruikt werden (zoals in een groot aantal Europese landen). Ook waren er landen waar goud en zilver naast elkaar werden gebruikt als geld, een zogeheten bimetalen geldsysteem. Voorbeelden daarvan zijn Frankrijk en de Verenigde Staten, waar de overheid een vaste verhouding hanteerde tussen de waarde van gouden en zilveren munten.

Overschakeling naar goudstandaard (1850-1900)

Door de sterke toename van het wereldwijde aanbod van goud, eerst door een toegenomen productie in de Verenigde Staten en Australië, maar later ook in landen als Zuid-Afrika en Rusland, besloten meer landen over te schakelen van een bimetalen of zilveren standaard richting een goudstandaard. Er waren tenslotte al veel meer gouden munten in omloop gebracht, ook in de landen die nog lang vasthielden aan het zilver.

Landen als Oostenrijk-Hongarije, België, Denemarken, Nederland, Italië, Noorwegen en Zweden schakelden rond 1870 over op een goudstandaard, waarmee ze het voorbeeld van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk volgden. Later stapten ook Rusland (1893), Japan (1897), India (1898) en de Verenigde Staten (1900) over op een goudstandaard.

Centrale banken hadden rond deze tijd nog relatief weinig goudvoorraden, omdat het grootste gedeelte van het monetaire goud bestond uit muntstukken die in de economie circuleerden. In 1895 lag minder dan 2.750 ton van de 6.100 ton aan monetair goud in de wereld in de kluizen van centrale banken. Het grootste deel van het gele metaal was toen nog in private handen.

Die verhouding veranderde aan het begin van de twintigste eeuw, meer specifiek in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog. Toen de oorlog uitbrak hadden centrale banken hun voorraden uitgebreid tot een totaal van meer dan 8.000 ton. In de jaren voorafgaand naar de oorlog kochten ze op grote schaal edelmetaal op, vaak rechtstreeks van de goudmijnen. Aan het begin van de twintigste eeuw werd bijna 60% van al het nieuw gedolven goud opgekocht door centrale banken.

Goud van privaat bezit naar centrale banken (vanaf 1900)

De Eerste Wereldoorlog veranderde de manier waarop centrale banken naar goud keken. Verschillende Europese landen raakten verwikkeld in zeer kostbare oorlogen, waardoor ze meer geld nodig hadden om wapens te kopen en troepen te bevoorraden. Tussen 1900 en 1913 hadden landen als Frankrijk, Duitsland en Rusland hun goudvoorraad al verdubbeld, terwijl de Verenigde Staten haar goudreserve zelfs verviervoudigde.

Centrale banken brachten in de oorlogsjaren veel meer bankbiljetten in omloop, terwijl tijdens de oorlog ook de productie van gouden munten tot een minimum werd beperkt. In het Verenigd Koninkrijk werden alle gouden munten die naar een bank werden gebracht zelfs uit omloop gehaald, zodat het edelmetaal toegevoegd kon worden aan de strategische goudreserve. Toen de Verenigde Staten zich in 1917 in de oorlog mengden werd ook daar de productie van gouden munten drastisch teruggebracht. De export van het edelmetaal werd in veel landen eveneens tot een minimum beperkt.

Na de oorlog probeerde het Verenigd Koninkrijk terug te keren naar de goudstandaard, maar dat werd een grote mislukking. Men probeerde de waarde van de munt vast te zetten tegen de vooroorlogse goudprijs, terwijl de geldhoeveelheid door de oorlog veel groter was geworden. Het duurde dan ook niet lang voordat dit systeem implodeerde en de koppeling weer werd losgelaten.

Door de enorme schulden van de oorlog was het voor iedereen duidelijk dat een terugkeer naar de goudstandaard tegen de oude koers onmogelijk was geworden. Tijdens een conferentie van de League of Nations in 1922 werd besloten dat centrale banken voortaan ook valutareserves mochten aanhouden, voor zover die valuta ingewisseld konden worden voor fysiek goud. Daardoor concentreerden de goudreserves zich uiteindelijk bij een handvol grote centrale banken.

Aan het einde van de jaren twintig was 70% van alle goudvoorraden van centrale banken in handen van slechts drie landen, namelijk Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Ondertussen werden er ook steeds meer gouden munten uit omloop gehaald en omgesmolten tot goudbaren, waardoor in 1929 naar schatting 92% van al het monetaire goud in de wereld in handen was van centrale banken.

Amerikaanse goudvoorraad

Na de devaluatie van de dollar door president Roosevelt in 1934 kwam er aanvankelijk een enorme stroom van goud op gang vanuit Europa richting de Verenigde Staten. Door de officiële prijs van goud te verhogen van $20,67 naar $35 per troy ounce werd het voor Europese handelaren interessant om goud in te zamelen en bij de Amerikaanse overheid in te wisselen voor dollars.

Door deze devaluatie kwamen ook de valuta van verschillende Europese landen onder druk te staan, met als gevolg dat zij de goudstandaard moesten verlaten. Ondertussen bleef de Amerikaanse goudreserve groeien, van iets meer dan 6.000 ton in 1933 naar een piek van meer dan 22.000 ton vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog.

De wederopbouw van Europa na de oorlog zorgde ervoor dat Europese centrale banken weer nieuwe reserves konden opbouwen. Dat waren in eerste instantie nog dollarreserves, maar toen het besef kwam dat de dollar tegen een koers van $35 per troy ounce sterk overgewaardeerd was besloten ze hun dollartegoeden in te wisselen voor edelmetaal. Dat ging door totdat president Nixon in 1971 besloot het goudloket te sluiten.

Sindsdien ligt er iets meer dan 8.000 ton goud in de Verenigde Staten, terwijl Europese landen na een periode van gecoördineerde verkopen nog over iets meer dan 10.000 ton goud beschikken. De laatste jaren zijn centrale banken weer netto kopers van goud, voornamelijk doordat opkomende economieën op het Euraziatische continent hun goudreserves uitbreiden. Zo zijn Rusland en China vandaag de dag beide goed voor ongeveer 2.000 ton, terwijl deze landen aan het begin van de eeuw slechts 400 ton hadden.

Conclusies

Vatten we de ontwikkelingen in de goudmarkt vanaf 1850 samen, dan zien we twee belangrijke trends. Ten eerste valt op dat gouden munten stapsgewijs volledig uit het betalingsverkeer zijn verdwenen en plaats hebben gemaakt voor ongedekt overheidsgeld in de vorm van munten, biljetten en elektronische banktegoeden.

Ten tweede valt op dat het goud door de tijd heen mee verhuist met het economische zwaartepunt in de wereld. Na twee wereldoorlogen verschoof het zwaartepunt van Europa naar de Verenigde Staten en stroomde ook het goud richting de Amerikaanse centrale bank. Het duurde nog jaren voordat Europese landen hersteld waren van de oorlog en ze hun goudvoorraden weer konden opbouwen.

Momenteel zien we een verschuiving van goud richting het oosten, een trend die samenhangt met de sterke economische groei in landen als China, Rusland en India. Door de goudaankopen van de laatste jaren beschikken centrale banken en internationale financiële instanties inmiddels over een goudvoorraad van bijna 34.000 ton. Dat is overigens maar een klein gedeelte van de totale bovengrondse goudvoorraad van naar schatting 185.000 ton. De rest is in private handen en bestaat voornamelijk uit sieraden en beleggingsgoud.

Bron: Central Bank Gold Reserves – An historical perspective since 1845, Timothy Green (1999)

Deze bijdrage is afkomstig van Geotrendlines

Tags: , , , , ,

Laat een reactie achter

U kunt hieronder reageren

Reacties worden gewaardeerd. Reageer wel fatsoenlijk op elkaar en plaats geen spam.

Je kunt deze tags gebruiken:

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>