Home » Actueel

De zegen van een sterke munt

Geschreven door op 20 maart 2012 – 16:13

Het destructieve effect van hyperinflatie zal voor iedereen duidelijk zijn, het effect van de huidige lichte inflatie is hier exact gelijk aan, alleen is deze slechts minder zichtbaar.

Luisterend naar de vele economische commentatoren die het licht schijnen op de situatie in de Verenigde Staten, zou je denken dat het Amerikaanse handelstekort op wonderbaarlijke wijze kan worden verholpen door een snelle devaluatie van de dollar. Nederlandse en andere Europese economen geven het gebrek van deze mogelijkheid voor landen als Griekenland en Spanje ook vaak de schuld van de problemen aldaar; teksten als “de euro is niet elastisch genoeg” en “Duitsland weigert nog steeds steunaankopen door de ECB, dit zou Griekenland écht kunnen helpen”, staan bijna dagelijks te lezen in de kranten en zijn beide verkapte oproepen tot devaluatie van de munt.

Terug naar de Amerikaanse zaak, daar zou een te sterke dollar de import van goederen “te goedkoop” maken en zo Amerikanen motiveren juist hun spullen te kopen van buitenlandse concurrenten. Het gevolg zou ook zijn dat de dure dollar Amerikaanse export onaantrekkelijk maakt voor de rest van de wereld. Het resultaat is een tekort op de handelsbalans. Vanaf de vroege jaren ’70 kopen Amerikanen in toenemende mate elk jaar meer geïmporteerde spullen dan ze met z’n allen exporteren.

Fed Balance

Fed Balance

Twee punten op deze vermeende relatie tussen een zwakke munt en slechte economische gezondheid zijn van belang.
1) Is het waar dat een verzwakte wisselkoers export goedkoper maakt?
2) Zijn er schadelijke secundaire gevolgen van de voortzetting van een dergelijk zwak valuta beleid?
Laten we beide punten bespreken met als voorbeeld de wisselkoers tussen de Japanse yen en de Amerikaanse dollar.

Het mes van een sterke munt snijd aan twee kanten

De meeste mensen kunnen genieten van hun bankafschrift en het zien van het vele geld, dit doen ze echter slechts als dat geld écht iets betekent. Duizend dollar of duizend Japanse yen (ongeveer 12 dollar) maakt nogal een verschil. De houders van de sterkere valuta zijn in staat om van meer ingevoerd goederen te genieten, reizen naar vreemde landen te maken en exotische elektronica wordt beter betaalbaar. De keerzijde, zegt men, is dat de buitenlandse producenten (zwakke valuta landen) van deze goederen doorgaans een groot kostenvoordeel hebben; ze kunnen, door de zwakke munt, relatief goedkoop de goederen produceren en zijn hiermee gewild in de wereldhandel.

Anekdotisch bewijs uit Japan van de laatste 20-plus jaar trekt deze aanname al sterk in twijfel. Afgelopen oktober bereikte de yen een laagterecord op ongeveer 75 yen voor één dollar. Omdat je met een sterke munt minder eenheden nodig hebt om een andere valuta te kopen, betekend in dit geval de lager waarde een sterkere munt. In de afgelopen 10 jaar is deze daling 55 procent geweest en in de afgelopen 40 jaar zelfs meer dan 75 procent (!). Maar gedurende deze gehele periode bleef de Japanse export markt opmerkelijk veerkrachtig. Sinds 2000 heeft de Japanse economie gemiddeld genomen haar positieve handelsbalans weten te behouden, te grote van maar liefst 6 procent van het BBP (Nederland 2010 – ca. 5%), zelfs dus met deze sterke munt.

Wanneer we de vergelijking trekken met de cijfers van Amerika, vallen twee zaken direct op. Ten eerste dat de dollar sinds 2000 steeds minder waard is geworden op de valutamarkten. Ten tweede heeft de Amerikaanse handelsbalans weinig tot geen verbetering laten zien als gevolg hiervan. Na het bereiken van het dieptepunt van min 6 procent van het bbp in 2008, toont de handelsbalans slechts een marginale verbetering, maar blijft zwaar in het negatieve.

Japan heeft dus met een continu oplopende waarde van de yen een voortdurend sterke handelsbalans, waarbij de verenigde staten met continu dalende dollar een voortdurend zwakke handelsbalans heeft. Een voorzichtige conclusie kan nu dus al zijn dat andere zaken dan alleen de sterkte of zwakte van een munt blijkbaar een (meer) doorslaggevende rol op de handelspositie van een economie vormen.

De kijk van de Oostenrijks-economische school

De wisselkoers van een munt is slechts een onderdeel van de totale kosten die een buitenlander moet betalen om een goed te importeren. Niet minder belangrijk is de vergelijking met de kosten van het goed in de eigen nationale valuta-eenheden. Ludwig von Mises wijdde precies een eeuw geleden een heel hoofdstuk aan dit probleem, waarin de exacte drogreden waarom een waardevermindering van de valuta zich niet noodzakelijk vertaalt in een sterkere export.

Om deze drogreden aan het licht te brengen moeten we kijken naar hoe de waardedaling van een valuta tot stand komt.
Dé manier om de munt te verzwakken welke wordt bepleit door de meeste experts, is om deze door de centrale bank in grotere mate en goedkoper beschikbaar te laten stellen door middel van het verlagen van de rente. Dit proces geeft twee effecten:
a) De gewilde waardedaling van de munt; meer valuta in omloop geeft een lagere waarde per eenheid.
b) Een toename van de binnenlandse inflatie; meer valuta jaagt een zelfde hoeveelheid goederen achterna en kán alleen maar zorgen voor hogere prijzen (dit is misschien wel het belangrijkste effect).

Met het oog op beide punten, vraag jezelf af wat het voor een buitenlandse importeur van goederen in werkelijk uit maakt dat bijvoorbeeld de Amerikaanse dollar nu 5 procent goedkoper is, wanneer de prijs die de importeur betaalt in dollars door de binnenlandse inflatie nu óók 5 procent hoger ligt?
Het effect is nul.

In dit verband is Japan een interessant geval. Ondanks tientallen jaren van waardestijging van de yen, is het binnenlandse prijsniveau gelijk gebleven, doordat de deflatie in Japan de binnenlandse prijzen van goederen heeft laten dalen. Door de stijging van de yen betalen buitenlanders een hogere prijs per eenheid valuta, maar elke yen koopt meer Japanse goederen. Ook aan de Japanse kant van het verhaal zou je zeggen dat het effect nul is.

Toch gaat dit Japanse effect verder dan het Amerikaanse. Japanse producenten hebben met hun sterke munt toegang tot goedkopere import; de munt is immers meer waard geworden. Voor Japan een groot voordeel aangezien het zelf nagenoeg geen grondstoffen bezit, zo moet alle olie geïmporteerd worden. Ook consumenten profiteren, veel Japanners zijn doorgewinterde reizigers en met de sterke yen in staat om de wereld relatief goedkoop over te reizen. Verder is al het spaargeld van de Japaners méér waard geworden en dat van de Amerikanen juist minder, dit effect bevorderd spaarzaamheid onder de bevolking. Deze toename in spaargelden zorgt op zijn beurt weer voor een toename in beschikbare gelden voor verdere investeringen in productiecapaciteit. Een toename in deze capaciteit zorgt voor betere en/of goedkopere goederen voor consumenten.

Wanneer we een goed beeld willen hebben van het netto-effect van de twee genoemde effecten (1- de duurdere yen en 2- deflatie van de prijzen) kunnen we kijken naar de reële wisselkoers. Gecorrigeerd voor de verandering in de Japanse prijsniveau ten opzichte van de Verenigde Staten, wordt het verhaal van het concurrentievermogen van Japan verder duidelijk.

Japanse Yen

Japanse Yen

Terwijl het nominale tarief steeds maar stijgt, daalt het reële tarief gestaag in de afgelopen 15 jaar. Uit de grafiek blijkt dat de yen in feite, ondanks de waardestijging, vandaag net zo goedkoop is als in 1986. Slechts een oppervlakkige analyse zou zich alleen richtte op de nominale waarde van de yen, waaruit men foutief kan concluderen dat Japanse producenten in het nadeel zijn.

Wat kunnen de Amerikanen doen?

Als Amerikaanse beleidsmakers zich vanadaag zorgen maken, dat zonder een zwakke dollar de Amerikaanse bedrijven zullen falen op de globale markt, moeten zij een lessen trekken uit de Japanse ervaring. Een dure munt hoeft niet altijd dure goederen te betekenen. Het kan zelfs vaak het tegenovergestelde betekenen. Als de beleidsmakers de inflatie druk laten dalen, zullen de goederenprijzen minder stijgen, of zelfs een beetje teruglopen. Wanneer deze prijzen dalen kost het simpelweg minder valuta-eenheden om goederen te kopen en kan dit een waardestijging van de munt zelf opvangen.

Om de logica van de beleidsbepalers te volgen. waarom zijn ze geen voorstander van een zéér hoge inflatie of zelfs hyperinflatie? Wanneer ze zich dit ten doel stellen, zal de dollar zeker in waarde dalen op de valutamarkten. Dit doen ze niet omdat dit de gemiddelde Amerikaan enorm zou verarmen, en de gemiddelde buitenlander hiervan waarschijnlijk weinig van zou merken: investeringen en productie zullen grotendeels stil vallen waardoor Amerikaanse goederen ùberhaupt niet meer aantrekkelijk zijn.

Bedenk altijd dat dit effect bij slechts een lagere inflatie nooit totaal anders zal zijn maar slecht minder zichtbaar is.

Bron: mises.org